Deze afspraak maakten we omdat de Regeling voorzieningen bij vredes- en humanitaire operaties (VVHO) tekortkomingen kende. Zo was er veel beoordelingsruimte of sprake was van een inzet of operatie, waarvoor de speciale vergoedingen van de VVHO golden, of van meer gebruikelijke werkzaamheden, zoals varen en oefenen, waarbij een minder gunstig vergoedingenregime van toepassing was.
Met de inwerkingtreding van de RMI is veel duidelijker geworden wanneer je kunt spreken van een inzet of een operatie. We hopen en verwachten dat dit ertoe leidt dat vergelijkbare situaties voortaan hetzelfde behandeld worden en inzetten niet meer worden afgedaan als oefening.
FAQ Regeling Militaire Inzet
Dit uitgangspunt is dat jouw inzet vanwege de ernst en de bijbehorende risico’s financieel aanzienlijk beter moet worden gecompenseerd dan varen en oefenen. Daarom spraken Defensie en de bonden een nieuw model af en definieerden zij drie inzetvormen met elk een eigen mate van ernst en zwaarte: RMI-1, RMI-2 en RMI-3.
Onder ‘inzet’ verstaat de RMI alle militaire activiteiten buiten jouw reguliere werkzaamheden: (onregelmatige) diensten, overwerk, varen, vliegen en oefenen in de vredesorganisatie. Hierbij gaat het om door de minister van Defensie aangewezen militaire activiteiten in binnen- en buitenland op basis van een militair bevel, een missie of een ambtsinstructie. Bij het aanwijzen van inzetten moet de minister zich houden aan de definities in de RMI. De minister heeft dus veel minder beoordelingsvrijheid dan onder de oude regelgeving.
Hierbij kun je onder meer denken aan de orkaan Irma op Sint Maarten, de inzetten naar aanleiding van de inval van Rusland in Oekraïne en de evacuatie van collega’s uit Beiroet. De discussies hierover onderstreepten voor ons de noodzaak om tot eenduidige regelgeving te komen met duidelijke handvatten om te bepalen wanneer er sprake is van een inzet.
Dankzij de RMI worden inzetten beter beloond dan reguliere militaire activiteiten zoals varen en oefenen. Dankzij drie duidelijk afgebakende inzetvormen – RMI-1, RMI-2 en RMI-3 – worden jouw compensatie, beloning en rechtspositionele bescherming beter afgestemd op de aard en risico’s van jouw inzet.
Verder kun je rekenen op goede zorg vóór, tijdens en na een inzet. In de RMI zijn artikelen opgenomen die verwijzen naar wetten en regels waarin deze zorg is geregeld. De RMI legt de verantwoordelijkheid bij Defensie om bij jouw inzet voor goede huisvesting en voeding te zorgen. Op beide gebieden word je ontzorgd, waardoor jij je op jouw inzet kunt richten. Alleen bij hoge uitzondering moet je sommige zaken misschien nog zelf regelen.
Word jij als militair buiten Nederland ingezet bij (vredes)operaties of missies? Dan valt jouw inzet onder RMI-1.
Word je aangewezen voor het verlenen van bijstand in het buitenland of ben je betrokken bij een buitenlandse inzet voor de NAVO of de Europese Unie, zonder dat er sprake is van een missie of een operatie? Dan spreek je van RMI-2.
Ben je betrokken bij een militaire inzet in eigen land? Dan valt jouw inzet onder RMI-3.
Op dit moment zijn deze dagvergoedingen:
- 266,25 euro bij RMI-1;
- 213 euro bij RMI-2;
- 159,75 euro bij RMI-3.
Jazeker. Zo zijn de huidige dagvergoedingen per RMI-inzet aangepast aan de salarisverhoging van 6,5% die sinds 1 september 2026 van toepassing is.
Deze voorzieningen zijn:
- huisvesting & voeding
- recuperatie
- vrijstelling van werkzaamheden & diensten
- inzetgratificatie
- zorg vóór, tijdens en na jouw inzet
- de inzetvrije periode
Diverse RMI-artikelen verwijzen naar wetten en regels waarin de zorg vóór, tijdens en na jouw inzet is geregeld. Deze zorg wordt nader toegelicht in artikel 9 van de RMI. Deze regeling legt de verantwoordelijkheid bij Defensie om voor goede huisvesting en voeding te zorgen. Jouw huisvesting en voeding zijn in de RMI trouwens niet heel anders geregeld dan dat dit in de VVHO het geval was.
Nee. Jouw huisvesting en voeding komen in principe voor rekening van Defensie. Over het algemeen zal Defensie deze in natura verstrekken. Als dit in de praktijk onmogelijk blijkt, dan maak je aanspraak op een vergoeding die volgens Defensie in verhouding staat tot de door jou gemaakte kosten.
Concrete voorbeelden waarbij jijzelf in jouw huisvesting en voeding moet voorzien, zijn inzetten in het kader van een operatie voor de Verenigde Naties (VN), de Europese Unie (EU) of de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).
Het uitgangspunt blijft echter dat je tijdens jouw inzet niets hoeft te betalen voor eten en wonen.
Qua werking en omvang is de vrijstelling van werkzaamheden en diensten overgenomen uit de VVHO. Op het laatste moment konden we met Defensie uitonderhandelen dat je ook bij een RMI-2-inzet recht hebt op compensatie. Datzelfde geldt voor de uitzendgratificatie.
De uitzendbescherming was voorheen een ongeschreven, mondelinge afspraak. In aangepaste vorm heeft de uitzendbescherming een plek gekregen in artikel 10 van de RMI. Deze wordt nu inzetvrije periode genoemd. Wij vermoeden dat jij dit begrip kent als inzetbescherming.
Jazeker. In het kader van de nodige zorg en aandacht voor jouw thuisfront bevat de RMI verwijzingen naar bestaande voorzieningen uit onder andere het Veteranenbesluit.
In artikel 9 van de RMI is bijvoorbeeld vastgelegd dat je als militair geen status als veteraan of dienstslachtoffer hoeft te hebben om zorg te ontvangen conform het Veteranenbesluit. In RMI-artikel 11 staat dat hoofdstuk 7 van het AMAR niet van toepassing is bij een inzet. Dit is gebeurd om jou volledige duidelijkheid te geven over het inverdienen bij een inzet. Artikel 13 gaat in op de toekenning van de Veteranenstatus en de herinneringsmedaille.
De reden hiervoor is dat de Belastingdienst een onkostenvergoeding als fiscaal onzuiver beschouwt. Daarom dreigde de Belastingdienst met forse boetes als deze van toepassing zou blijven. Als gevolg hiervan zijn de toelagebedragen bij RMI-1 en RMI-2 aanzienlijk hoger dan we overeenkwamen in eerdere arbeidsvoorwaardenafspraken met Defensie. Ongetwijfeld ga je dit de komende tijd merken.
In de VROB zijn alleen nog jouw vergoedingen opgenomen voor reguliere militaire activiteiten, zoals varen en oefenen. Het begrip ‘bijzondere inzet’ is uit deze regeling verdwenen en in de RMI vervangen door RMI-3. Het doel van deze overheveling is om een duidelijker rechtspositioneel onderscheid te maken tussen alledaagse activiteiten en militaire inzet in crisissituaties.
In principe kun je tijdens jouw inzet geen vakantieverlof en buitengewoon verlof opnemen. Bij een ernstige ziekte, bevalling of het overlijden van jouw partner kan, als dit praktisch mogelijk is, laatstgenoemd verlof wél aan jou worden verleend.
Na jouw terugkeer in Nederland of in jouw land van plaatsing na een buitenlandse inzet maak je aanspraak op een vrijstelling van werkzaamheden en diensten van twee werkdagen voor elke maand dat de inzet heeft geduurd. Hieraan is een maximum verbonden van tien werkdagen per inzet.
Je maakt aanspraak op een inzetgratificatie van 1500 euro netto als je meerdere malen voor periodes van minstens 30 aaneengesloten dagen buiten Nederland bent ingezet en het totale aantal dagen is opgelopen tot 365. Na een verkregen inzetgratificatie begint de telling weer opnieuw te lopen. Je kunt dus meerdere keren voor een gratificatie in aanmerking komen.
Voorheen was dit voor jou als militair op te bouwen recht bekend als uitzendbescherming. De mondelinge afspraak hiervoor is echter nooit op papier gezet. In aangepaste vorm en onder de nieuwe naam inzetvrije periode is de eenvoudig in elkaar stekende uitzendbescherming opgenomen in de RMI. Misschien dat jij dit begrip nog kent als inzetbescherming.
Je kunt rekenen op een inzetvrije periode als je in een tijdsbestek van een jaar in totaal minstens 180 dagen in het kader van RMI-1 of RMI-2 bent ingezet. Alleen aaneengesloten periodes van meer dan 30 dagen tellen mee voor de opbouw van deze 180 dagen.
Bij een RMI-1-inzet kun je rekenen op een inzetvrije periode van tweemaal het aantal dagen waarop je bent ingezet en bij een RMI-2-inzet op een inzetvrije periode van een half maal jouw inzet. Aanvullend moet je opgeteld 180 dagen ingezet zijn in een tijdvak van 365 dagen. Hierbij maakt het niet uit of je betrokken was bij een RMI-1- of RMI-2-inzet. Je telt deze gewoon bij elkaar op.
Als je 180 dagen inzet hebt behaald in de voorgaande 365 dagen, dan verwerf je het recht op een inzetvrije periode. Die periode gaat in na de inzet waarin je deze 180 dagen hebt behaald. Je kunt er zelf voor kiezen om de periode direct of later te laten ingaan.
Je kunt het verworven recht op een inzetvrije periode ook ‘opknippen’ in verschillende periodes. Deze periodes mogen echter nooit korter zijn dan 30 aaneengesloten dagen.
Voor de juiste berekening van deze inzetvrije dagen geven we je drie rekenvoorbeelden:
Rekenvoorbeeld 1
Na 180 dagen RMI-1-inzet krijg je een dubbel aantal inzetvrije dagen:
180 x 2 = 360 dagen
Bij een totaal van 201 dagen na de inzet waarin 180 dagen zijn behaald, volgen 402 inzetvrije dagen in het kader van de inzetbescherming. De achterliggende rekensom (op basis van dubbel aantal inzetvrije dagen) is:
201 x 2 = 402 dagen
Rekenvoorbeeld 2
Na 180 dagen RMI-2-inzet kun je rekenen op 90 inzetvrije dagen. Deze inzet leidt namelijk tot een inzetvrije periode van een half maal de inzet:
180 : 2 = 90 dagen
Rekenvoorbeeld 3
90 dagen RMI-1-inzet én 90 dagen RMI-2-inzet zorgen voor in totaal 225 inzetvrije dagen. Eerstgenoemde inzet levert namelijk 180 inzetvrije dagen op (tweemaal de inzet):
90 x 2 = 180
en de andere inzet 45 inzetvrije dagen (een half maal de inzet):
90 : 2 = 45
Ja, maar dit kan alleen als er zwaarwegende operationele redenen zijn om jou toch in te zetten. Hierbij kun je denken aan een acute noodsituatie zoals een oorlog. In dat geval bestaat het risico dat je tijdens jouw effectieve inzetvrije periode wordt aangewezen voor een inzet. Jouw werkgever is dan wel verplicht om de belangrijkste redenen aan jou uit te leggen. Wees je ervan bewust dat jouw recht op inzetvrije dagen niet verloren gaat als je toch wordt ingezet. Van deze dagen kun je op een later moment genieten, ook als deze buiten de genoemde periode van 365 dagen vallen.
De CDS had veel beslissingsvrijheid om willekeurig wel of geen formele status aan missies toe te kennen. De RMI draait bewust alleen om de vraag of je kunt spreken van een inzet en de definitie hiervan is nu veel duidelijker. Voortaan geeft de minister van Defensie voorafgaand aan een inzet antwoord op deze vraag. Hierdoor weet jij als militair bij elke inzet waar je qua rechtspositie aan toe bent, welk RMI-inzetvorm geldt en op welke compensaties en voorzieningen je kunt rekenen.
De minister bepaalt niet alleen of er sprake is van inzet, maar ook om welke inzetvorm het gaat als deze niet strikt valt onder één van de drie gedefinieerde inzetvormen en wanneer deze begint en eindigt. Verder kan de minister bijvoorbeeld beslissen dat de periode die voorafgaat aan een vertrek naar het buitenland én de periode na terugkeer in ons land ook deel uitmaken van een inzet.
In het belang van de operationele inzet kan die het besluit nemen om een inzet eerder te laten beginnen of langer te laten duren. Dankzij de drie in het kader van de RMI gedefinieerde inzetvormen geniet de minister in elk geval geen volledige vrijheid om een missie of operatie waarbij jij betrokken bent niet als inzet aan te wijzen.